Literatuur Hoogspanningslijnen en Landschap
  • P. Vrijlandt e.a.:  Elektriciteitswerken in het Landschap: Probleemverkenning en konceptvorming Dorschkamp1980
  • P. Vrijlandt e.a.: Elektriciteitswerken in het Landschap: Toepassing van het koncept in een proefgebied Dorschkamp 1980
  • TenneT: Verbinding naar de toekomst  Visie 2030, 2008
  • TenneT: Nieuwe hoogspanningslijn met gereduceerd magnetisch veld, 2007
  • TenneT: Hoogspanningslijnen, uitgangspunten nieuw masttype voor reductie M-velden bovengronds, 2008
  • TenneT: Elektrische en magnetische velden, 2007
  • TenneT Kwaliteits- en Capaciteitsplan 2008-2014, 2007
  • Zwarts & Jansma: Magneetveldarme Hoogspanningsmasten, 2007

 

 
ir jhon van veelen
landschapsarchitect
Hoogstraat 34
6011 RZ Ell
51°12'46.82'' N - 5°48'00.62'' O
jhon@vanveelen.tv
KvK 14108519
 

DE SCHOONHEID VAN HOOGSPANNINGSLIJNEN IN HET HOLLANDSE LANDSCHAP

HEF

Samenstelling en redactie Anne Mieke Backer / Arij de Boode - Uitgeverij De Hef 1986

Inhoud

  • Hoogspanningslijnen, functie en typologie / drs Frits Lubbers
  • Het ontwerpen van hoogspanningslijnen in het landschap / ir Jhon van Veelen
  • De hoogspanningsmast en de Hollandse molen / prof Emile Meijer
  • De schoonheid van hoogspanningsmasten / Anne Mieke Backer
  • Hoogspanningslijnen in het werk van hedendaagse Nederlandse kunstenaars:
    • Herman Stammeshaus graficus
    • Ger Dekkers landschapsfotograaf
    • Henk Visch beeldend kunstenaar
    • Anne Mieke Backer beeldend kunstenaar
    • Caren van Herwaarden beeldend kunstenaar
    • Casper Schuuring architectonisch vormgever
  • De filosofie van de kokermast en de toekomst van de hoogspanningsmast / ir Th Ykema en ir RJ Zoomer

Het ontwerpen van hoogspanningslijnen in het landschap
Jhon van Veelen 1986

Hoogspanningslijnen versterken op verschillende manieren het landschappelijk perspectief verruimen. Het duidelijkst is de verruiming van het visueel perspectief. Wat minder voor de hand liggend maar niet minder van belang, is een mogelijke verruiming van wat men zou kunnen noemen het ruimtelijke en historische perspectief. Het visueel perspectief is, met name in het vlakke Hollandse landschap, een karakteristiek aspect. Het gelijkmatige ritme van de masten en de daartussen op en neer deinende draden, accentueren de wijdheid van het landschap. De grote maten van een polderlandschap worden door de regelmatige afstanden tussen de masten bijna meetbaar gemaakt. De beleving van het landschap blijft over het algemeen beperkt tot een vrij klein gebied, de directe omgeving. Een polder waarin men woont en werkt, met de erin voorkomende sloten, wegen, gebouwen en beplanting, een bosgebied waarin men wandelt, speelt of trimt, met lanen en velden, zijn de landschapselementen die men direct herkent. Een polder of een bos zijn echter geen geïsoleerde elementen, maar steeds onderdeel van een grotere ruimtelijke en functionele structuur. De mate waarin deze samenhang wordt herkend, het ruimtelijke perspectief, is mede bepalend voor de waardering van het landschap en de wijze waarop men ermee omgaat. Hoogspanningslijnen zijn onderdeel van een netwerk van regionale en nationale elektriciteits-voorzieningen en worden over het algemeen ook als zodanig herkend. Juist deze bovenlokale betekenis, samen met de zichtbaarheid van de hoge masten op relatief grote afstand, maken het mogelijk dat de landschapsbeleving op lokaal niveau wordt verruimd en dat een samenhang wordt herkend met de grotere landschapsopbouw. Zorgvuldige tracering en vormgeving van bovengrondse hoogspanningslijnen kunnen zo een bijdrage leveren aan de verruiming van het ruimtelijke perspectief in het landschap.
Een derde manier waarop hoogspanningslijnen het perspectief in het landschap kunnen verruimen, is een verwijzing naar het steeds veranderende, dynamische karakter van het landschap, het historische perspectief. Het landschap zoals we dat om ons heen zien, is geen opzichzelfstaand plaatje. Het is het gevolg van steeds veranderend gebruik, in relatie met verschillende natuurlijke processen. Het landschapsbeeld is een momentopname van een aldoor veranderende situatie. Sommige veranderingen, zoals het opvullen van een rivierbedding met zand en klei, of het wegslaan van duinen door de zee, gebeuren relatief snel en zijn duidelijk waarneembaar. Ook het dichtgroeien van afgesneden rivierarmen of het bebost raken van open heidevelden, zijn natuurlijke processen die zich binnen enkele tientallen jaren afspelen. Andere veranderingen verlopen veel langzamer en zijn daardoor nauwelijks waarneembaar. Het duidelijkst zichtbaar verandert het landschap door ingrepen van de mens. Soms goed gebruikmakend van de door de natuur geboden mogelijkheden, soms ook juist daarmee contrasterend, verandert de mens zijn omgeving en past die steeds weer aan zijn wensen en behoeften aan. Veranderingen in bijvoorbeeld landbouwmethoden leiden tot een andere verkaveling en daarmee vaak tot wijziging in de ruimtelijke opbouw. Dat deze ontwikkelingen vaak positieve, maar ook nogal eens negatieve gevolgen hebben, moge duidelijk zijn. Waar het hier om gaat, is het inzicht dat verandering een vanzelfsprekende en karakteristieke eigenschap van het landschap is en dat het landschap alleen dan werkelijk een maatschappelijke betekenis kan hebben, als het een uitdrukking is van de gebruiksvormen en waarderingen van dat moment. Het zichtbare contrast tussen de verschijningsvorm van een hoogspanningslijn, als uitdrukking van een sterk geïndustrialiseerde maatschappij en een van oorsprong agrarisch gebied dat langzaam is gegroeid, is een duidelijke verwijzing naar het dynamische karakter van het landschap en geeft herkenning en inzicht in het historische perspectief.
De waardering of de afkeuring van hoogspanningslijnen en de wijze waarop ze onderdeel van het landschap zijn, wordt in de eerste plaats bepaald door de betekenis die men eraan toekent. Wordt een hoogspanningslijn gezien als een onderdeel van een verderfelijke industrie en het landelijk gebied als recreatieruimte of natuurgebied, dan zal die waardering anders zijn dan wanneer men het landelijk gebied ziet als agrarisch productiegebied. Hoewel dit aspect vaak bepalend is voor de besluitvorming rond de tracering van hoogspanningslijnen en daarmee ook voor de uiteindelijke verschijningsvorm, zal hier de aandacht meer gericht zijn op de ontwerpkeuzen en de ontwerpcriteria die een rol spelen.
De manier waarop een hoogspanningslijn onderdeel vormt van het landschap, wordt bepaald door een aantal ruimtelijke en functionele aspecten. In hoofdzaak zijn deze terug te voeren tot de drie dimensies van een hoogspanningslijn: het tracé, het lengteprofiel, het dwarsprofiel

De twee getekende tracé-alternatieven zijn een keuze uit een veel uitgebreidere reeks ontwerpen die een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming rond het tracé-gedeelte Bemmel-Doetinchem. Ze geven twee uitersten aan in deze reeks. Het bovenste alternatief is in de eerste plaats ontworpen vanuit de gedachte recht te doen aan de meest geschikte vorm van de hoogspanningslijn, een zekere samenhang met de regionale landschapsopbouw tot stand te brengen en een harmonieus contrast te creëren met de lokale landschapsvormen Het onderste alternatief is het tracé zoals dit werd goedgekeurd door de toenmalige CEW; de Commissie Elektriciteitswerken. Deze commissie is samengesteld uit onder andere vertegenwoordigers van elektriciteitsbedrijven, planologen, agrariërs en milieuexperts. Zij toetst de noodzaak van de verbinding als zodanig, stemt deze zoveel mogelijk af op plaatselijk en provinciaal beleid, bestudeert de alternatieve tracés, houdt hoorzittingen en adviseert tenslotte de Minister van Economische Zaken over de bouw van de lijn.

Het tracé
Hoogspanningslijnen zijn infrastructurele voorzieningen die in principe twee punten in het landschap, schakel- en transformatiestations, met elkaar verbinden. Een rechte lijn, de kortste verbinding tussen twee punten, is de meest voor de hand liggende vorm van een tracé. Er zijn echter aanleidingen om van een gestrekt tracé af te wijken, zoals eerder al werd beschreven.
Bij tracering van hoogspanningslijnen is het van belang zowel te streven naar een geschikt tracé voor de lijn zelf, de rechte lijn, als naar een passende plaats van de lijn ten opzichte van de andere landschapselementen. Waarneembare richtingsveranderingen in het tracé zouden beperkt moeten blijven tot die situaties die een herkenbare samenhang vertonen met landschapselementen en structuren van eveneens regionaal of nationaal niveau.
Op deze wijze blijft de hoogspanningslijn herkenbaar als ruimtelijk element van bovenlokale betekenis en ontstaat er een karakteristiek contrast met de lokale landschapselementen en patronen. De hoogspanningslijn krijgt zo de meest geschikte plaats in het landschap.
Een knik in het tracé heeft grote invloed op de verschijningsvorm van de hoogspanningslijn. Door het verschil in perspectivische verkorting tussen de twee rechte stukken aan beide zijden van de knik, lijkt het alsof de twee lijnstukken langs elkaar schieten en wordt de eenheid van het gehele tracé en de continuïteit in het karakteristieke ritme verstoord. Door een scherpe knik te vervangen door enkele minder scherpe knikken, wordt de verstoring van de continuïteit minder groot en blijft het tracé als een functionele eenheid beter zichtbaar.
Door meerdere richtingsveranderingen dicht bij elkaar, ontstaan situaties waarbij de hoofdrichting van het tracéverloop onduidelijk wordt. Bovendien maken richtingsveranderingen het beeld onrustig en wordt het geheel vaak als storend ervaren.

Het lengteprofiel
Het lengteprofiel wordt bepaald door de hoogte van de masten en de onderlinge afstand ertussen, de veldlengte. Vanuit de technische vormgeving van de lijn geldt voor elk type mast een bepaalde optimale verhouding tussen hoogte van de masten en de veldlengte. Het karakteristieke monotone ritme van de hoogspanningslijn wordt erdoor bepaald. Overeenkomstig het effect van richtingsveranderingen in het tracé kan worden gesteld dat het zinvol is de optimale veldlengte bij een bepaalde mast zo min mogelijk te wijzigen.
Een hogere mast is vaak het gevolg van veiligheidsoverwegingen. Boven een bevaarbare rivier moeten, gezien de doorvaarthoogte, de geleidedraden hoger hangen. Hiervoor is een aanzienlijk hoger masttype noodzakelijk. Gecombineerd met een grote overspanning, voortkomend uit de breedte van de rivier, leidt dit tot masten met een hoogte van soms meer dan 100 meter. Een andere manier om te bereiken dat de geleidedraden hoger komen te hangen, is het verkleinen van de veldlengte. Deze minder opvallende afwijking verdient, met name in die situaties waar lokale elementen of patronen moeten worden gepasseerd, de voorkeur. In bepaalde situaties kan een duidelijk hoger masttype een herkenbare relatie aangeven met bepaalde landschapspatronen die een vergelijkbare orde van grootte hebben als de hoogspanningslijn. Het lengteprofiel kan dan zelfs bijdragen aan de herkenbaarheid van bepaalde landschapspatronen en daarbij aan de oriëntatie in het landschap.
Een voorbeeld hiervan is het kruisen van een grote rivier zoals de Rijn. Van een afstand is de ligging van de rivier in het landschap vaak moeilijk herkenbaar, omdat er zich geen ruimtelijke elementen langs bevinden of juist omdat de rivier verborgen ligt achter een veelheid aan elementen, zoals bebouwing of bossen. In een dergelijke situatie geven de duidelijk hogere masten bij de rivierkruising een zichtbare herkenning van de ligging van de rivier.
In een landschapstype met veel ruimtelijke obstakels, zoals beplanting, bebouwing en spoorlijnen, zullen herhaaldelijk verhoogde masten noodzakelijk zijn. De rommelige indruk die hierdoor ontstaat kan worden voorkomen door over een heel tracégedeelte alle masten enigszins verhoogd uit te voeren, zodat wederom een rustig lengteprofiel ontstaat en incidentele verhogingen niet nodig zijn.

Het dwarsprofiel
Het dwarsprofiel wordt bepaald door het gekozen masttype. Bij bepaalde masttypen hangen de geleiderdraden zo veel mogelijk boven elkaar (bijvoorbeeld bij het ‘dennenboomtype’) en ontstaat er een hoge smalle mast met meer traversen. Een dergelijke hoge mast is van grotere afstand zichtbaar en door zijn geringe breedte relatief eenvoudig te traceren. Een belangrijk nadeel is dat de kans op aanvaringen door vogels groot is. Een masttype met slechts één traverse is daarentegen breed en relatief laag. Omdat de geleiderdraden bij een dergelijke mast in een horizontaal vlak liggen, is de kans op draadslachtoffers onder vogels relatief klein. De keuze van het masttype wordt over het algemeen bepaald door regionale locatiefactoren, zoals de schaal van het landschap, de aanwezigheid van een vogeltrekroute of de wens een tracé vanuit het oogpunt van grondgebruik zo smal mogelijk te houden. In het algemeen is het van belang de eenheid van vormgeving in een bepaald tracé zo veel mogelijk te behouden. Wisseling van masttype binnen een tracé levert onduidelijkheden op. De lijn wordt dan niet meer als een functioneel geheel ervaren.
Bijzonderheden in het dwarsprofiel doen zich binnen een masttype het duidelijkst zichtbaar voor bij richtingsveranderingen van meer dan 10 graden. Bij een dergelijke knik moet volgens de geldende norm een sterk afwijkend masttype, de hoekmast, worden gebruikt. Door scherpe richtingsveranderingen, op plaatsen waar ogenschijnlijk geen herkenbare ruimtelijke aanleiding aanwezig is, te verdelen over meerdere kleine knikken, kan worden voorkomen dat de sterk afwijkende hoekmast een onnodig storende invloed heeft op de verschijningsvorm van de lijn.

Naast de vormgeving van de hoogspanningslijn zelf heeft ook de aanpassing of herinrichting van het landschap, waarvan de lijn een onderdeel uitmaakt, invloed op de beleving. Het beschreven karakteristieke functioneel en ruimtelijk contrast tussen de lijn en de lokale landschapsopbouw kan ook herkenbaar blijven, of worden gemaakt, door aanpassing van bijvoorbeeld de beplantingsstructuur van het gebied. Hierbij kan men denken aan aanleg van beplanting langs wegen en kavels, zodat het landschap meer besloten wordt. Soms kan ook het meer openmaken van een gebied een verbetering betekenen. Een uitgangspunt daarbij is het vormgeven van het eigen karakter van het desbetreffende landschap vanuit de huidige gebruiksvorm, aansluitende op de specifieke ruimtelijke en ecologische kwaliteiten van het gebied. In een kleinschalig, besloten landschapstype is het zicht op de lijn slechts af en toe mogelijk. Steeds weer duikt een deel van de lijn in het beeld op en gezien vanuit de beschouwer vaak van dichtbij en op een onverwachte plaats. De verbrokkelde indruk die hierdoor ontstaat wordt vaak negatief ervaren. In dergelijke situaties is het beter het zicht op de lijn zo veel mogelijk te beperken door het zorgvuldig aanbrengen van beplanting en/of door het wijzigen van de richting van het padenstelsel. Op die plaatsen waar de lijn zichtbaar blijft, kan men proberen ruimte te creëren, zodat een groter deel van een tracé als geheel kan worden overzien. Bovengrondse hoogspanningslijnen kunnen het landschappelijk perspectief verruimen. Om dit te bereiken is het van belang bij tracering en vormgeving uit te gaan van de meest geschikte vorm van de lijn zelf. De relatie met de overige landschapselementen zal tot uitdrukking moeten komen in een samenhang met landschapselementen en patronen van een vergelijkbare orde van grootte en een contrast met de lokale landschapsopbouw. Vooralsnog zijn hoogspanningslijnen noodzakelijke onderdelen van onze geïndustrialiseerde maatschappij en zullen als zodanig een passende plaats moeten krijgen in het landschap.

begin document